JACE van de Ven



<< alle dichters

biografie
Bookmark and Share

Stad van toen stad van nu stad van dan

Zo, dat was het wel zo’n beetje wat publicabel is, van wat ik maakte of voordroeg tijdens mijn ambtsperiode als eerste stadsdichter van Tilburg. Op zondag 28 augustus 2005, weer tijdens de Boekenmarkt rond het Paleis, droeg ik de verantwoordelijkheid over aan mijn opvolger Nick J. Swarth, maar niet nadat ik een driedelig slotgedicht had laten horen.

De stad van toen

Ik heb mijn oor gelegd op oude stenen
En hoorde vaag de echo's van weleer
Van stervelingen die al lang verdwenen
Ze gonsden nog van oud plezier en zeer

Ik liet ze binnensijpelen als dromen
Die ver verwant zijn aan de werkelijkheid
Toen is wat wás mij tegemoet gekomen
Ik ken geheimen uit de oude tijd

Ik zag verboden liefdes toch gedijen
Textielarbeiders nijver aan het werk
Ik hoorde arme mensen lachen, schreien
En hoopvol zingen in een volle kerk

Ik rook de stank van blauwe afvoersloten
Het braadvlees op de directeur zijn dis
De adem van het cafévolk aangeschoten
En in het steegje naast de kroeg hun pis

En als de wind van vroeger weer gaat luwen
De geur van eierkolendamp verflauwt
Ontwar ik in mijn geest dat lukraak kluwen
En schrijf op wat ik hoop dat men onthoudt

De stad van nu

Zie hier de mens die u rond u ziet rennen
Al foto’s makend van wat hij niet ziet
Hij moet gelukkig zijn maar kan niet wennen
Aan dat verdomde kluitje in het riet

Waar is het dan wat hem toch echt beloofd is
Zijn wensen lijken al vooraf vervuld
Maar als het vuur van nieuwigheid gedoofd is
Doorziet hij dat hij weer eens is gekuld

Ach hoor hem over geld en image lullen
Zijn pinpas is een schatkamer van wind
Hij heeft een huis vol nutteloze spullen
Onmogelijk dat hij zich aan iets bindt

Zijn eigen lijf laat hij zelfs overmaken
Want daar zat het geluk ook al niet in
Maar zonder buik, met ingekorte kaken
En kleine neus, blijkt het er evenmin

Ook ik ren mee maar hoop op u te botsen
De koppen op elkaar; als we weer staan
Hoop ik dat we van dolheid moeten kotsen,
Plots zien wat we niet zien en verder gaan

De stad van dan

Ik zou graag profeteren wat gaat komen
Als dat solide en subliem zou zijn
Maar vraag mij liever niet naar toekomstdromen
Want steeds verwordt mijn hoop er tot venijn

Wat zal ons overmorgen samenbinden?
Ach, weet dat als het moet ik uw geluk
Uit stenen sla, tot gruis aan toe; maar vinden
We iets? Ik vrees, op die manier geen fuck!

Ik wil het voor u uit de modder wroeten
En rennen achter ieder vaag berich
Waar ís het vragen, en hoe het onmoeten
Maar eenmaal daar blijkt dat het daar niet ligt

Dus zou ik de gelukswedren graag stoppen
En kloppen op mijn deur en die van u
En ons als Boon zegt een geweten schoppen
En dat ook laten werken vanaf nu

Vrijwillig weerloos door de straten lopen
En niemand met de rug tegen de muur
Dat is de stad die ik voor u blijf hopen
Voorlopig, vrees ik, kent zij rust noch duur.